MET HEM EN BIJ HEM

HOSEA 14 VERS 9B Ik wil zijn liefde beantwoorden, mijn oog op hem richten.
DE BOVENZAAL  De bovenzaal is een oase van rust,  tussen de hectiek van de achterliggende week en de vernietigende duisternis die nog te wachten staat. De bovenzaal is als het oog van een orkaan met de intimiteit van de broederkring, het wassen van de voeten de woorden uit zijn hart over het dienen matses, wijn, de eeuwenoude traditie van de Seder de geliefde leerling die rust aan zijn boezem de oververhitte Judas die wegvlucht met een duivels plan De lofzang waarmee ze de nacht ingaan.  Het duizelt je voor de ogen  als je terugkijkt op wat er gebeurde sinds  de hosanna’s bij die raadselachtige intocht in Jeruzalem. De Heer reist op de rug van een ezelsveulen, omringt door duizenden joelende en zingende pelgrims. Was hij de enige die het momentum niet voelde, toen hij daar schijnbaar aan voorbijging  en direct doorliep naar de tempel  om er vanuit een getergde ziel huis te houden? Daarna volgen de dagen vol onderwijs, twistgesprekken, de overweldigende woorden in zijn rede over Jeruzalem. De stad is een smeltkroes, een Kruidvat. Er hing iets onheilspellends in de lucht,  De pelgrims voelden het. Wij weten het.  Maar eerst is er de bovenzaal. Een ruimte waar we een tijdje willen verblijven.  Om toegang te krijgen tot wat daar plaatsvond kun je enkel een beroep doen op je innerlijke verbeeldingskracht, mediterend en biddend mag je er verwijlen. Langzaam wijdt de Geest je in  en schenkt inzicht in de gebeurtenissen die plaatsvonden in die wonderlijke ruimte van rust,  in het oog van de storm.
De weg naar de grote bovenzaal vind je alleen door te gehoorzamen. ‘Ga naar de stad’, ‘Volg die man’, ’Maak het daar klaar’ – sprak Jezus Het klinkt allemaal zo vanzelfsprekend, zo vertrouwd, zo gemakkelijk. Gewoon doen wat hij zegt. Maar luisteren en doen wat hij zegt Is vaak niet zo eenvoudig. We zijn selectief in wat we horen. We zijn kinderen van onze tijd. We leven maar al te graag vanuit waar wij nu behoefte aan hebben, ook in ons geloven, ook in onze beleving. Steeds vaker vertellen mensen: ‘God maakt mij duidelijk. De Geest spreekt tot mij. Hij vraagt van mij’ Durf jij het aan om al je ingevingen in stilte en eenvoud weg te leggen, de tijd te geven, ze los te laten als het moet, hem te vertrouwen – te zijn waar hij is, te doen wat hij vraagt? Beeld je eens in dat jij één van die twee leerlingen bent: om te gaan, te volgen, te doen. Voor je loopt de man die je de bovenzaal wijst. Hij opent de deur. Dit is de ruimte. Je kijkt rond. Bent er met al je zintuigen. Hier vindt plaats waar niemand nog van weet. Jij dekt de tafel, schikt de ruimte, bereidt de tijd – om er later te zijn met hem en bij hem.
BOVENZAAL
Marcus 14:12–17 Het pesachmaal 12    Op   de   eerste   dag   van   het   feest   van   het   Ongedesemde brood,   wanneer   het   pesachlam   wordt   geslacht,   zeiden   zijn leerlingen   tegen   hem:   ‘Waar   wilt   u   dat   wij   voorbereidingen gaan    treffen    zodat    u    het    pesachmaal    kunt    eten?’ 13     Hij stuurde   twee   van   zijn   leerlingen   op   pad   en   zei   tegen   hen: ‘Ga   naar   de   stad.   Daar   zal   een   man   die   een   kruik   water draagt   jullie   tegemoet   komen;   volg   hem, 14    en   wanneer   hij ergens   binnengaat,   moeten   jullie   tegen   de   heer   des   huizes zeggen:    “De    meester    vraagt:    ‘Waar    is    het    gastenvertrek waar   ik   met   mijn   leerlingen   het   pesachmaal   kan   eten?’” 15   Hij   zal   jullie   een   grote   bovenzaal   wijzen,   die   al   is   ingericht en   waar   alles   gereedstaat;   maak   daar   het   pesachmaal   voor ons   klaar.’ 16    De   leerlingen   vertrokken   naar   de   stad,   en   alles gebeurde     zoals     hij     gezegd     had,     en     ze     bereidden     het pesachmaal. 17  Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf.

DIENEN

MARCUS 10 VERS 43 - 45 Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn,  want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
In de bovenzaal hangt een ongrijpbare stilte, terwijl een vreemd gevoel de leerlingen bekruipt. Blikken vinden elkaar. Niemand zegt iets.  ‘Wat doet hij nu dan … ?’ hoor je ze denken. Jezus trekt zijn bovenkleed uit, knoopt zorgvuldig een doek voor, zoals slaven en bedienden doen. Dan knielt hij bij Filippus neer, Johannes volgt, daarna Levi, Jacobus, en ja, ook Judas Iskariot. Niemand slaat hij over. Petrus komt er niet mee weg. Hij doet wat niemand durfde, maar eigenlijk wel wilde; Je laat je toch niet  door de Meester de voeten wassen? Is dit de norm? Is dit artikel 1 uit de grondwet van het koninkrijk van de hemel? Wat een goddelijke absurditeit of is het geniaal en snappen wij het simpelweg niet omdat we sinds het paradijs zo blind zijn geworden? De Zoon als voetenwasser. Beeld van de Vader is hij toch, drager van de Geest als geen ander? Welke God wast de voeten van zijn schepselen? En wie wil deze God aanbidden en dienen? Dit is zo intens en zo diep, maar ook zo moeilijk te doorgronden – laten we eerlijk zijn. Zalig word je door hem genoemd, als je dit niet alleen begrijpt, maar er vooral ook naar durft te leven. In stilte voltrekt zich het laatste onderwijs. Hij doet het voor. Zijn uitleg is uiterst kort. Er zijn eigenlijk ook geen woorden voor. Alleen door het maar gewoon te gaan doen, na heel veel voeten te hebben gewassen, zul je het langzaam leren begrijpen.
Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had.
Johannes 13
J.S.Bach/G.Kurtág - Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit
Voor al de dagen waarop je het niet meer ziet zitten. Voor al de dagen waarop je twijfelt aan alles en iedereen. Voor al de dagen waarop het verdriet met je aan de haal gaat. Voor al de dagen waarop je zo heftig teleurgesteld bent in jezelf. Voor al de dagen waarop je je pijnlijk eenzaam voelt. Voor al de dagen waarop je hoopte dat het leven je meer had gegeven. Voor al de dagen waarop melancholie je enige metgezel is. Voor al de dagen waarop je weer je escape neemt tot die oude vluchtroute. Voor al de dagen waarop je leven aanvoelt als een doodlopende straat. Wanneer je op zo’n dag weer dreigt te verdwalen in je eigen duisternis. Durf dan goed voor jezelf te zijn, en laat die ene gedachte in je hart toe dat hij niet alleen de wereld heeft liefgehad tot het einde maar ook jou heeft liefgehad tot het einde. Tot het einde van alles waar jij je zo bang en onzeker over voelt. Hij heeft je liefgehad, heeft je lief en zal je liefhebben tot het einde, jouw einde. Tot het einde – tot alle shit en chaos in deze wereld en in onszelf is overwonnen, achtergelaten en vergeten. Tot de laatste traan is opgedroogd. Het valt me niet makkelijk om dit te schrijven misschien wel juist hierom, dat ik deze waarheid zo vaak niet voel, niet begrijp en er niet mee uit de voeten kan. Toch weet ik diep van binnen, dat het mijn lifeline is; het zal de Trooster zijn, die het me blijft influisteren. aanwezig in de stille stem in mijn hart, aanwezig in mijn vrienden en vriendinnen, die me er aan blijven herinneren, aanwezig in die ene onbekende in wie Christus mij in een ongezocht moment van genade tegemoet komt, aanwezig in de gemeenschap der heiligen al zingend, biddend, delend en levend, aanwezig in de kracht van de sacramenten, aanwezig in de oude woorden van de Schrift die mij aanhoudend vertellen over die mysterieuze liefde aanwezig in hem, Christus Jezus, over wie getuigd wordt door Johannes: ‘Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan.’ (Johannes 13:1)
en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan
‘Het was de leerling, van wie Jezus hield’ die rustte aan zijn borst, aan zijn hart, tijdens de maaltijd waar de liefde werd uitgelegd. Bemerk hoe diep dit is, herinner en besef je, hoe dit plaatsvindt in stille navolging naar wat Johannes over Jezus schreef: ‘Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren God die nu rust aan het hart van de Vader, hij is de gids en de weg geweest’. Rusten aan het hart van Christus is je gewonnen geven aan zijn liefde, je laten omarmen door zijn tedere nabijheid, je geborgen weten in zijn goedheid. Vandaag mag jij die leerling zijn die beminde, die gezochte, die kostbaar gevonden mens, die rust aan zijn borst, aan zijn hart.   Levend, jezelf gevend, naar dat woord uit de psalmen: ‘Verstild ben ik en gerust, geborgen als een kind bij zijn moeder, zo ben ik, als een kind’ In deze omarming en geborgenheid ontsluit zich het geheimenis van waar het in heel de menswording van Jezus, zijn lijden en zijn opstanding om te doen is - het herwinnen van jouw kindschap van God
Johannes 1:18 Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen. Johannes 13:21-26 21     Bij    deze    woorden    werd    Jezus    diep    bewogen    en    plechtig verklaarde   Hij:   ‘Waarachtig,   Ik   verzeker   jullie:   een   van   jullie   zal Mij   overleveren.’ 22    De   leerlingen   keken   elkaar   niet   begrijpend aan    en    vroegen    zich    af    wie    Hij    bedoelde. 23     Een    van    zijn leerlingen,   zijn   naaste   tafelgenoot,   rustte   aan   het   hart   van   Jezus: het   was   de   leerling   van   wie   Jezus   hield. 24    Simon   Petrus   wenkte hem    dat    hij    moest    vragen    wie    Hij    toch    kon    bedoelen. 25     Hij keerde   zich   toen   vertrouwelijk   naar   Jezus   toe   en   vroeg:   ‘Wie   is het,   Heer?’ 26    Jezus   antwoordde:   ‘Degene   voor   wie   Ik   dit   stuk brood ga indopen en aan wie Ik het dan zal geven.’ Psalm 131 Verstild ben ik en gerust 1     Een bedevaartslied, op naam van David. HEER, ik draag mijn hart niet hoog, mijn ogen steken niet van trots; ik ben niet uit op grootse daden die mijn krachten te boven gaan. 2   Verstild ben ik en gerust: geborgen als een kind bij zijn moeder zo ben ik, als een kind. 3   Israël, wacht in vertrouwen op de HEER van nu tot in eeuwigheid.

MET HEM EN BIJ HEM

HOSEA 14 VERS 9B Ik wil zijn liefde beantwoorden, mijn oog op hem richten.
DE BOVENZAAL  De bovenzaal is een oase van rust,  tussen de hectiek van de achterliggende week en de vernietigende duisternis die nog te wachten staat. De bovenzaal is als het oog van een orkaan met de intimiteit van de broederkring, het wassen van de voeten de woorden uit zijn hart over het dienen matses, wijn, de eeuwenoude traditie van de Seder de geliefde leerling die rust aan zijn boezem de oververhitte Judas die wegvlucht met een duivels plan De lofzang waarmee ze de nacht ingaan.  Het duizelt je voor de ogen  als je terugkijkt op wat er gebeurde sinds  de hosanna’s bij die raadselachtige intocht in Jeruzalem. De Heer reist op de rug van een ezelsveulen, omringt door duizenden joelende en zingende pelgrims. Was hij de enige die het momentum niet voelde, toen hij daar schijnbaar aan voorbijging  en direct doorliep naar de tempel  om er vanuit een getergde ziel huis te houden? Daarna volgen de dagen vol onderwijs, twistgesprekken, de overweldigende woorden in zijn rede over Jeruzalem. De stad is een smeltkroes, een Kruidvat. Er hing iets onheilspellends in de lucht,  De pelgrims voelden het. Wij weten het.  Maar eerst is er de bovenzaal. Een ruimte waar we een tijdje willen verblijven.  Om toegang te krijgen tot wat daar plaatsvond kun je enkel een beroep doen op je innerlijke verbeeldingskracht, mediterend en biddend mag je er verwijlen. Langzaam wijdt de Geest je in  en schenkt inzicht in de gebeurtenissen die plaatsvonden in die wonderlijke ruimte van rust,  in het oog van de storm. Marcus 14:12–17  Het pesachmaal   12 Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ 13 Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem, 14 en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” 15 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ 16 De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.  17 Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf.
De weg naar de grote bovenzaal vind je alleen door te gehoorzamen. ‘Ga naar de stad’, ‘Volg die man’, ’Maak het daar klaar’ – sprak Jezus Het klinkt allemaal zo vanzelfsprekend, zo vertrouwd, zo gemakkelijk. Gewoon doen wat hij zegt. Maar luisteren en doen wat hij zegt Is vaak niet zo eenvoudig. We zijn selectief in wat we horen. We zijn kinderen van onze tijd. We leven maar al te graag vanuit waar wij nu behoefte aan hebben, ook in ons geloven, ook in onze beleving. Steeds vaker vertellen mensen: ‘God maakt mij duidelijk. De Geest spreekt tot mij. Hij vraagt van mij’ Durf jij het aan om al je ingevingen in stilte en eenvoud weg te leggen, de tijd te geven, ze los te laten als het moet, hem te vertrouwen – te zijn waar hij is, te doen wat hij vraagt? Beeld je eens in dat jij één van die twee leerlingen bent: om te gaan, te volgen, te doen. Voor je loopt de man die je de bovenzaal wijst. Hij opent de deur. Dit is de ruimte. Je kijkt rond. Bent er met al je zintuigen. Hier vindt plaats waar niemand nog van weet. Jij dekt de tafel, schikt de ruimte, bereidt de tijd – om er later te zijn met hem en bij hem.

DIENEN

MARCUS 10 VERS 43 - 45 Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn,  want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had.
Johannes 13
In de bovenzaal hangt een ongrijpbare stilte, terwijl een vreemd gevoel de leerlingen bekruipt. Blikken vinden elkaar. Niemand zegt iets.  ‘Wat doet hij nu dan … ?’ hoor je ze denken. Jezus trekt zijn bovenkleed uit, knoopt zorgvuldig een doek voor, zoals slaven en bedienden doen. Dan knielt hij bij Filippus neer, Johannes volgt, daarna Levi, Jacobus, en ja, ook Judas Iskariot. Niemand slaat hij over. Petrus komt er niet mee weg. Hij doet wat niemand durfde, maar eigenlijk wel wilde; Je laat je toch niet  door de Meester de voeten wassen? Is dit de norm? Is dit artikel 1 uit de grondwet van het koninkrijk van de hemel? Wat een goddelijke absurditeit of is het geniaal en snappen wij het simpelweg niet omdat we sinds het paradijs zo blind zijn geworden? De Zoon als voetenwasser. Beeld van de Vader is hij toch, drager van de Geest als geen ander? Welke God wast de voeten van zijn schepselen? En wie wil deze God aanbidden en dienen? Dit is zo intens en zo diep, maar ook zo moeilijk te doorgronden – laten we eerlijk zijn. Zalig word je door hem genoemd, als je dit niet alleen begrijpt, maar er vooral ook naar durft te leven. In stilte voltrekt zich het laatste onderwijs. Hij doet het voor. Zijn uitleg is uiterst kort. Er zijn eigenlijk ook geen woorden voor. Alleen door het maar gewoon te gaan doen, na heel veel voeten te hebben gewassen, zul je het langzaam leren begrijpen.
J.S.Bach/G.Kurtág - Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit
Voor al de dagen waarop je het niet meer ziet zitten. Voor al de dagen waarop je twijfelt aan alles en iedereen. Voor al de dagen waarop het verdriet met je aan de haal gaat. Voor al de dagen waarop je zo heftig teleurgesteld bent in jezelf. Voor al de dagen waarop je je pijnlijk eenzaam voelt. Voor al de dagen waarop je hoopte dat het leven je meer had gegeven. Voor al de dagen waarop melancholie je enige metgezel is. Voor al de dagen waarop je weer je escape neemt tot die oude vluchtroute. Voor al de dagen waarop je leven aanvoelt als een doodlopende straat. Wanneer je op zo’n dag weer dreigt te verdwalen in je eigen duisternis. Durf dan goed voor jezelf te zijn, en laat die ene gedachte in je hart toe dat hij niet alleen de wereld heeft liefgehad tot het einde maar ook jou heeft liefgehad tot het einde. Tot het einde van alles waar jij je zo bang en onzeker over voelt. Hij heeft je liefgehad, heeft je lief en zal je liefhebben tot het einde, jouw einde. Tot het einde – tot alle shit en chaos in deze wereld en in onszelf is overwonnen, achtergelaten en vergeten. Tot de laatste traan is opgedroogd. Het valt me niet makkelijk om dit te schrijven misschien wel juist hierom, dat ik deze waarheid zo vaak niet voel, niet begrijp en er niet mee uit de voeten kan. Toch weet ik diep van binnen, dat het mijn lifeline is; het zal de Trooster zijn, die het me blijft influisteren. aanwezig in de stille stem in mijn hart, aanwezig in mijn vrienden en vriendinnen, die me er aan blijven herinneren, aanwezig in die ene onbekende in wie Christus mij in een ongezocht moment van genade tegemoet komt, aanwezig in de gemeenschap der heiligen al zingend, biddend, delend en levend, aanwezig in de kracht van de sacramenten, aanwezig in de oude woorden van de Schrift die mij aanhoudend vertellen over die mysterieuze liefde aanwezig in hem, Christus Jezus, over wie getuigd wordt door Johannes: ‘Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan.’ (Johannes 13:1)
en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan
‘Het was de leerling, van wie Jezus hield’ die rustte aan zijn borst, aan zijn hart, tijdens de maaltijd waar de liefde werd uitgelegd. Bemerk hoe diep dit is, herinner en besef je, hoe dit plaatsvindt in stille navolging naar wat Johannes over Jezus schreef: ‘Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren God die nu rust aan het hart van de Vader, hij is de gids en de weg geweest’. Rusten aan het hart van Christus is je gewonnen geven aan zijn liefde, je laten omarmen door zijn tedere nabijheid, je geborgen weten in zijn goedheid. Vandaag mag jij die leerling zijn die beminde, die gezochte, die kostbaar gevonden mens, die rust aan zijn borst, aan zijn hart.   Levend, jezelf gevend, naar dat woord uit de psalmen: ‘Verstild ben ik en gerust, geborgen als een kind bij zijn moeder, zo ben ik, als een kind’ In deze omarming en geborgenheid ontsluit zich het geheimenis van waar het in heel de menswording van Jezus, zijn lijden en zijn opstanding om te doen is - het herwinnen van jouw kindschap van God
Johannes 1:18 Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen. Johannes 13:21-26 21     Bij    deze    woorden    werd    Jezus    diep    bewogen    en    plechtig verklaarde   Hij:   ‘Waarachtig,   Ik   verzeker   jullie:   een   van   jullie   zal Mij   overleveren.’ 22    De   leerlingen   keken   elkaar   niet   begrijpend aan    en    vroegen    zich    af    wie    Hij    bedoelde. 23     Een    van    zijn leerlingen,   zijn   naaste   tafelgenoot,   rustte   aan   het   hart   van   Jezus: het   was   de   leerling   van   wie   Jezus   hield. 24    Simon   Petrus   wenkte hem    dat    hij    moest    vragen    wie    Hij    toch    kon    bedoelen. 25     Hij keerde   zich   toen   vertrouwelijk   naar   Jezus   toe   en   vroeg:   ‘Wie   is het,   Heer?’ 26    Jezus   antwoordde:   ‘Degene   voor   wie   Ik   dit   stuk brood ga indopen en aan wie Ik het dan zal geven.’ Psalm 131 Verstild ben ik en gerust 1     Een bedevaartslied, op naam van David. HEER, ik draag mijn hart niet hoog, mijn ogen steken niet van trots; ik ben niet uit op grootse daden die mijn krachten te boven gaan. 2   Verstild ben ik en gerust: geborgen als een kind bij zijn moeder zo ben ik, als een kind. 3   Israël, wacht in vertrouwen op de HEER van nu tot in eeuwigheid.
NAVOLGING 
NAVOLGING 